Digitalisering helpt bij besef om meer samen te werken

Interview met Marijn Fraanje, CIO Gemeente Den Haag

Digitalisering is fundamenteel aanwezig in alle facetten van de samenleving. Afgelopen zomer heeft de Raad van Gemeente Den Haag ingestemd met de Visie op Digitalisering en Dienstverlening 2020-2023. Het maakt concreet hoe de Gemeente omgaat met de kansen die er liggen voor participatie en democratie, en tegelijkertijd met de uitdagingen en bedreigingen die hieruit voortkomen.

NEN en de Gemeente Den Haag zijn op meerdere vlakken aan elkaar verbonden. Zo neemt de Gemeente o.a. actief deel in de NEN Standaardisatie Adviesgroep – Smart Cities, en zijn zowel NEN als de Gemeente Den Haag betrokken bij Odyssey Momentum 2020. In dit open innovatie programma worden publieke/private partijen in staat gesteld om complexe vraagstukken (van technische aard) neer te leggen bij een wereldwijde community. De digitale oplossingen voor deze uitdagingen worden ontwikkeld tijdens een tweedaagse hackathon. De redactie gaat in gesprek met Marijn Fraanje, Chief Information Officer (CIO) van de Gemeente Den Haag. Wat betekent digitalisering voor de Gemeente en hoe hebben zij zich geprofileerd als voorloper op dit vlak?

Hoe zou jij je functie als CIO omschrijven?

Mijn functie is ontzettend breed. Ik bekommer me om de ‘harde IT’ binnen de gemeente zelf, maar ook om het gebruik van data, en smart cities bijvoorbeeld. Mijn agenda is gevuld met veel verschillende vraagstukken, en staat in contact met alle gemeentelijke diensten. Een grote uitdaging die ik zie is het vinden van de gemeenschappelijkheden tussen deze diensten.

‘Constructieve veiligheid wordt gewaarborgd door een uitgebreid stelsel aan normen en afspraken om onze leefomgeving veilig te houden.’

Hoe ziet de digitale transformatie eruit bij de Gemeente Den Haag?

We komen uit een wereld waarin alle dienstverlening fysiek was. Vervolgens zijn Deelaspecten gedigitaliseerd. Bijna op elk proces zijn nu een flink aantal stappen digitaal. In het verleden werkten we in afzonderlijke silo’s om tot oplossingen te komen. Om een voorbeeld te geven; drie jaar geleden is het platform 'Mijn Den Haag' gelanceerd vanuit Dienst Publiekszaken. Hier worden vervolgens allerlei andere diensten op aangesloten. Het is soms voor ons vanuit IT zoeken waar we ons wel en niet mee moeten bemoeien. Aan de voor- en achterkant loopt het aardig qua harmonisatie tussen de verschillende componenten, maar het deel binnen de diensten blijft lastiger om af te wegen. De organisatorische omslag die dit met zich meebrengt is spannend. Voorheen was je onderdeel van a, b of c, nu ben je deel van een keten. Momenteel zijn we bezig om de organisatie in te richten langs gemeentelijke waardeketens. Rond die ketens, vormen we multidisciplinaire teams met een ‘keteneigenaar’. Die is eigenaar van een bepaald product of dienst (bijvoorbeeld vergunningverlening). Wat fysiek logisch was, is niet perse hetzelfde digitaal. Tegelijkertijd vind ik ook dat we niet moeten doorslaan en alles willen digitaliseren. Het is belangrijk om altijd kritisch te blijven kijken, een goede afweging te maken tussen de investeringen die het vergt en wat het toevoegt.

Gemeente Den Haag staat bekend als één van de voorlopers in het experimenteren met nieuwe technologieën. Kun je hier iets over zeggen?

Op bepaalde terreinen is nog helemaal niet bekend wat techniek kan brengen. Om hier onderzoek naar te doen, is in 2017 tijdens de plannen voor herstructurering van de boulevard in Scheveningen, het component digitale infrastructuur geïntegreerd bij het herontwerp en inrichting van de openbare ruimte. De ambitie is om daarmee digitale innovatie in de openbare ruimte te stimuleren en te onderzoeken wat hiervoor de mogelijkheden zijn. Denk aan objecten in de ruimte als opstelpunten voor sensoren, camera’etc. Niet statisch, maar modulair, zodat je er ook verandering in kunt aanbrengen. Het bijzondere aan Scheveningen is dat het ‘live’ is in de openbare ruimte in tegenstelling tot proeftuinen waar eerst in een beschermde omgeving geëxperimenteerd wordt met innovaties. Er is uitvraag gedaan bij gemeentelijke diensten, andere overheden etc. om vraagstukken/use cases te verzamelen waar de Gemeente een digitale oplossing voor kan bieden. Hier zijn uiteindelijk 150 unieke vraagstukken uit gekomen. De use cases zijn zeer uiteenlopend wat betreft thematiek. Zo gaat bijvoorbeeld één in op geluidsoverlast, en staat er nu een slimme lichtmast die geluid en geluidsoverlast meet. Een andere case richt zich op vuil en zorgen er voor dat er nu een zelfrijdende vuilnisbak en een beachbot rondrijden over het strand en de boulevard. Met die laatste kun je contact maken en de robot helpen om steeds ‘slimmer’ te worden en is dus gericht op het vergroten van de bewustwording van afval op het strand. Daarnaast zijn er een aantal experimenten die we met de politie oppakken omtrent veiligheid, en telt de camera het aantal vogels/insecten. Het idee erachter is dat we apparatuur voor meerdere doeleinden gebruiken. Voorheen werd er voor elk vraagstuk een nieuwe toepassing ontwikkeld en stonden er drie camera’s naast elkaar, nu is er één camera die voor meerdere doeleinden wordt gebruikt.

Wat zijn de ambities met én voorbij het ‘Living Lab Scheveningen’?

De ambitie is tweeledig. Ten eerste wordt de herstructurering van Scheveningen de komende twee jaar afgerond, dan ligt de digitale infrastructuur in de hele kuststrook van Den Haag als basis om digitale innovatie te faciliteren. Ten tweede merken we dat meeliften op bestaande ruimtelijke ontwikkeling enorm scheelt in de kosten. Andere gebieden die in aanmerking komen voor een vergelijkbare aanpak zijn de Binckhorst, Internationale Zone en Zuidwest. Daar waar de grond opengaat willen we slim meeleggen. Echter, de gebieden zijn onderling heel anders, dus we zijn nog aan het aftasten hoe we op eenzelfde manier een team creëren die ingaat op de vraagstukken van dat gebied. Voor het succesvol introduceren van een innovatie moet je heel goed weten wat de problemen daar zijn, als je het gebied niet snapt zul je nooit oplossing vinden voor de vraagstukken in dat gebied. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van mensen/ondernemers. De mate van succes hangt volledig af van het goed betrekken van de inwoners en ondernemers in het gebied. Een van de uitgangspunten is transparantie; innovaties mogen niet plaatsvinden in verborgen kamertjes, maar moeten open en transparant gecommuniceerd worden. Daar zie je dit soort trajecten vaak op mislopen, omdat men door een gebrek aan transparantie eigen beelden gaat vormen, en dat creëert wantrouwen.

Wat is je visie op standaardisatie tav het Living lab Scheveningen?

Binnen het traject in Scheveningen hebben we bewust alles gedocumenteerd; niet alleen wat we doen qua rollen en proces, maar ook het technische deel dat we aangelegd hebben. Zo maken we inzichtelijk en makkelijk terug te vinden hoe we alles gedaan hebben. Dit zou als basis kunnen dienen voor nieuwe standaarden tav digitale innovaties in het ruimtelijk domein. Programmamanager Digitale Innovatie Yvette Entius brengt dit in bij de NEN Standaardisatie Adviesgroep - Smart Cities. Wij zijn erg positief over de ontwikkelingen en samenwerking in de regio op dit vlak. Wel merk ik dat onderlinge samenwerking tussen gemeenten extra aandacht behoeft. De ‘Roadmap Next Economy’ heeft vanaf 2016 erg geholpen om gemeenten met elkaar te verbinden en vanuit gezamenlijkheid trajecten op te starten binnen Zuid-Holland, bijvoorbeeld het samen komen tot gestandaardiseerde datatsets. Het is belangrijk dat we van elkaar leren en heel goed beseffen dat digitale toepassingen over gemeentegrenzen heen gaan. Bijvoorbeeld ten aanzien van digitale identiteit, dit kun je niet op verschillende manieren regelen, standaardisatie voor dit soort gemeente overstijgende onderwerpen is key. We doen op dit vlak veel samen met bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in de ‘Common Ground’ beweging; de modernisering van de gemeentelijke ICT-systemen. Deze ontwikkelt een basisplaat voor het informatielandschap van gemeentes; zaken die generiek zijn, generiek ontwikkelen. Één keer ontwikkeld, 300+ keer gebruik. Hierbij is het belangrijk om afspraken te maken over de kwaliteit van de dienstverlening. De eerste API’s (geeft andere software ingang tot systeem) zijn al live, de slag die nu gemaakt moet worden is dat het ook daadwerkelijk geïmplementeerd wordt. Techniek is hier niet de grootste uitdaging maar vooral het organisatorisch inregelen. Een belangrijke trend van het afgelopen jaar is dat Ministeries veel meer het overleg aangaan met gemeenten. Het zijn geen afzonderlijke werelden meer. We zijn één overheid. Digitalisering heeft geholpen bij het besef dat je dat niet afzonderlijk van elkaar kunt regelen.

Wat is je visie op de rol van NEN als normalisatie instituut in de veranderingen die je omschrijft?

Ik denk dat het belangrijk is dat NEN nieuw licht schijnt op het proces om te komen tot standaardisatie afspraken en het daaraan gekoppelde financieringsmodel van NEN. Gezien de tijd van open data, en het delen van info komt de huidige systematiek onder druk te staan. Ook NEN wordt uitgedaagd om te kijken naar haar rol in het geheel. Daarnaast is NEN heel breed georiënteerd. De periode waar je als leverancier alles kan bestrijken is ten einde. Grote partijen schakelen heel veel verschillende partners in om dingen over te pakken. Het dwingt je tot het maken van keuzes; waar specialiseer je je in? Voorkom een situatie waarin je een vergaarbak bent van alles en van alles net te weinig weet. Kies liever aan aantal onderwerpen waar je als NEN echt voor staat. Met betrekking tot digitalisering zou dat bijvoorbeeld ‘digitale identiteit’ zijn, een heel interessant en complex onderwerp. Het komt onze kant op en iemand zal het op moeten lossen.